Oorlogsgetuige
Mevrouw Overduin-Koolstra
Er is mij gevraagd enkele herinneringen te schrijven over deze tijd.
Het was 10 mei 1940 toen ik met Corine, een logée uit Rotterdam, over de Charlotte de Bourbon liep. Daar stond Sander van Geelkerken, een broer van Kees van Geelkerken, de rechterhand van Mussert. Ik zei tegen Corine “als hij nu blijft staan dan heeft hij niet geweten van deze inval, maar als hij het wel geweten heeft, dan wist hij het wel”. En zo ging het.
Dit was het begin van de oorlog met al z’n ellende, die we allemaal wel kennen. Het wegvoeren van de Joden enz.
Nu ga ik nog even vertellen over de tocht die ik gemaakt heb van Bolsward naar Zeist. Niet dat ik het zelf zo gewichtig vind, maar het is mij gevraagd.
In september 1944 ging ik naar Bosward, waar ik lerares werd aan de Christelijke huishoudschool. We konden toen maar een maand of vier meer lesgeven. Daarna werd het te koud en er was geen verwarming meer, ook niet in de kamer waar ik woonde. Gelukkig mocht ik komen wonen bij vrienden die een slagerij hadden en waar het dus goed van eten was, ook al haalden we ook eten van de gaarkeuken.
Zo tegen Oud en Nieuw stond ik een keer te huilen in de keuken, waar ook iemand was die daar ondergedoken was met vrouw en zoontje. “Waarom huil je”, zei hij. “Wij eten hier gans en mijn ouders hebben honger”, zei ik. Als ik maar een fiets had, dan ging ik er heen om eten te brengen. “Nou”, zei hij, “als je mijn fiets uit de schuur bij mijn huis durft te halen, dan mag je die gebruiken”. En dat heb ik gedaan, terwijl er in dat huis Duitse soldaten woonden.
Toen ik eten genoeg had (ook van allerlei kennissen die er van hoorden kreeg ik eten), vertrok ik op de herenfiets. Maar niet nadat ik van de Duitse officier die in Bolsward gelegerd was een bewijs had gekregen of ze me ongehinderd wilden laten gaan. Zwaar beladen reed ik weg, terwijl ik niet zonder hulp van en op de fiets kon komen, van Bolsward naar Emmen in 2 dagen eind 1944. Na Heerenveen kreeg ik mijn eerste lekke band. Er was een man die de band er af haalde, maar hij repareerde hem niet. Hij ging praten met een chauffeur van een auto die eten was gaan halen in Friesland voor mensen, ik meen Enschede. De fiets werd in de auto gelegd met de band er af en zo reden we naar Zwolle. Daar werd ik afgezet en vond ik een zaak waar de band werd gerepareerd en zo kon ik doorfietsen over de IJsselbrug naar Wezep, waar ik kon overnachten in het kosthuis van mijn broer. Maar mijn broer was er niet. Hij had moeten werken voor de Duitsers en was gevlucht.
Toen maar weer verder. De sneeuw raakte steeds vast tussen het achterscherm en mijn wiel en dan moest ik weer afstappen om dat er tussenuit te halen. Er was een man die aan de kant van de weg stond die mij leerde hoe ik het er uit kan halen op een gemakkelijke manier. Ik moest een touwtje met een knoop erin om de velg en het wiel maken. Hij deed dat voor mij en het was probaat. Dus verder maar weer. Op de Zuiderzee-dijk liepen en fietsen heel wat mensen. Allemaal om eten te halen. Triest was het!
Maar zo kwam ik aan het einde van de dag in Soesterberg. Weer een lekke band. Maar de fietsenzaak waarvoor ik stond deed helemaal niet open. Daar stond een Duitse officier die vroeg of hij mij kon helpen. Ik zei “die band moet er af”. Hij gelastte een paar van zijn soldaten om die band er af te halen. Ze deden dat en zo kon ik weer verder. Maar het was een dodenrit, ijzer op ijs. Ik dacht: als ik val breek ik een been en vries ik hier dood. Maar de Here sleurde mij er door geen. Er was geen mens meer op de weg. Gelukkig kwam ik thuis. Riek, een buurmeisje, hielp mij van de fiets, zette de fiets naast het huis, belde aan en zei” Hier is iemand die doodmoe is”.
Ach, wat waren ze blij. Maar mijn vader zei “Ik zal niet eerder blij zijn, als ik weet dat jou niets overkomt”. Maar u weet dat ik nog leef met Gods hulp. Hem zij de dank.